Over hoe je zelfbeeld kleurt wat je in anderen ziet
Stel dat je een opvallend litteken op je gezicht hebt. Je stapt een ruimte binnen en je bent je er de hele tijd van bewust. Zien ze het? Kijken ze ernaar? Of kijken ze juist een beetje te nadrukkelijk weg?
En stel nu dat dat litteken er helemaal niet is.
Een experiment met make-up
In 1980 deden twee psychologen aan Dartmouth College in de Verenigde Staten, Robert Kleck en Angelo Strenta, een experiment dat ik nooit meer vergeten ben.
Ze schminkten bij vrouwelijke studenten een realistisch litteken op het gezicht. De vrouwen mochten het even in een spiegel bekijken, zodat ze goed wisten hoe het eruitzag. Daarna zouden ze een gesprek voeren met iemand die ze niet kenden. De onderzoekers wilden zogezegd weten hoe mensen reageren op iemand met een zichtbaar litteken.
Vlak voor het gesprek zei de onderzoeker dat hij nog wat crème op het litteken moest aanbrengen, zodat de make-up niet zou barsten. In werkelijkheid veegde hij het litteken weg. De vrouwen hadden geen spiegel meer en wisten dat dus niet.
Ze gingen het gesprek in met de overtuiging dat er iets opvallends op hun gezicht zat. Hun gesprekspartner zag een gewoon gezicht.
Achteraf vertelden de vrouwen hoe het gesprek verlopen was. Ze hadden de indruk dat de ander gespannen was, minder op zijn gemak, en soms zelfs dat hij voortdurend naar hun litteken keek.
Naar een litteken dat er niet was.
Let wel: dit betekent niet dat mensen nooit anders behandeld worden omwille van hun uiterlijk. Dat gebeurt wel degelijk. Maar het experiment toont iets wat we in het dagelijkse leven makkelijk over het hoofd zien: wat we verwachten, bepaalt mee wat we waarnemen. Soms evenveel als wat er echt gebeurt.
We kijken door een bril
Je kent het waarschijnlijk.
Een collega groet je wat korter dan anders, en je vraagt je af wat je misdaan hebt. Een vriendin antwoordt pas uren later op je bericht, en tegen dan heb je al drie redenen bedacht waarom ze boos zou kunnen zijn. Je doet een voorstel in een vergadering, niemand pikt erop in, en ‘s avonds lig je er nog over te piekeren.
Bekijk je die situaties van op afstand, dan zijn ze vrij neutraal. Iemand is moe, heeft het druk, zit met zijn hoofd bij een ziek kind of een deadline.
Maar als je diep vanbinnen gelooft dat je niet goed genoeg bent, of dat mensen je snel laten vallen, dan lees je in zo’n kort groetje iets heel anders. Dan zie je niet wat er gebeurt, maar wat je vreest dat er gebeurt.
Dat maakt beperkende overtuigingen zo taai. Ze gaan niet alleen over hoe je over jezelf denkt. Ze kleuren ook hoe je de wereld rond je leest.
Een overtuiging zoekt bewijs
In mijn coaching zie ik vaak hoe mensen overtuigingen meedragen die al heel lang meegaan, soms van in hun kindertijd.
Wie als kind veel kritiek kreeg, kan gaan geloven dat het nooit goed genoeg is. Wie altijd moest aanvoelen in welke stemming een ouder was, wordt soms een volwassene die elk klein signaal oppikt en meteen op zichzelf betrekt. En wie vooral een schouderklopje kreeg bij goede punten, kan zijn eigen waarde gaan koppelen aan presteren.
Zulke overtuigingen verdwijnen niet vanzelf op je achttiende. Ze draaien gewoon mee op de achtergrond, vaak zonder dat je het merkt.
Neem iemand die ervan overtuigd is dat anderen haar saai vinden. Reageert iemand enthousiast op wat ze vertelt, dan denkt ze: die is gewoon beleefd. Kijkt iemand even op zijn telefoon, dan denkt ze: zie je wel.
Negen warme reacties verdwijnen zo naar de achtergrond. Die ene koele blijft hangen.
In de psychologie heet dat confirmation bias of bevestigingsbias: we merken informatie die bij onze overtuigingen past sneller op, we onthouden ze beter en we geven ze meer gewicht. Zo houden we, zonder het te willen, net die gedachten in stand die ons onzeker maken.
Het litteken zat niet op hun gezicht
Wat me zo raakt aan dit experiment, is dat het litteken uiteindelijk niet op het gezicht van die vrouwen zat. Het zat in hun hoofd. In hun verwachting van hoe anderen zouden reageren.
Ik denk dat de meesten van ons wel ergens zo’n onzichtbaar litteken meedragen. De overtuiging dat je sterk moet zijn. Dat je geen fouten mag maken. Dat mensen je pas graag zien als je doet wat ze van je verwachten. Dat je eerst iets moet bewijzen voor je er mag zijn.
Meestal zijn die overtuigingen ooit ontstaan met een goede reden. Ze hielpen je om je aan te passen, om conflict te vermijden, om erbij te horen. Ze waren een vorm van bescherming.
Alleen: wat je als kind beschermde, kan je als volwassene in de weg zitten. Dan blijf je jezelf bewijzen terwijl niemand daarom vraagt. Dan blijf je afwijzing verwachten, en kun je moeilijk geloven dat iemand je gewoon graag ziet.
Feit of interpretatie?
Daarom kijk ik in een coachtraject niet alleen naar gedrag, maar ook naar wat eronder zit. Iemand die alles perfect wil doen, heb je niet geholpen met de raad om “wat meer zelfvertrouwen te hebben”. Je moet eerst begrijpen waar dat perfectionisme vandaan komt. Welke ervaringen zitten erachter? Welke conclusie heeft die persoon daaruit getrokken? En klopt die conclusie vandaag nog?
Een oefening die ik vaak gebruik, is het verschil maken tussen feiten en interpretaties.
Neem opnieuw die vergadering.
Het feit: je collega zei bijna niets over je voorstel.
De interpretatie: hij vindt het een slecht idee. Hij neemt me niet serieus. Ik heb me belachelijk gemaakt.
Maar het kan ook zijn dat hij moe was. Dat hij nog aan het nadenken was. Dat hij met iets helemaal anders bezig was. Je weet het eigenlijk niet. En toch reageer je emotioneel op je interpretatie alsof ze een vaststaand feit is.
Dat wil niet zeggen dat je alles voortaan positief moet bekijken. Soms klopt je gevoel wel. Soms is iemand echt kritisch of afwijzend. Het punt is dat je eerste verklaring niet automatisch de juiste is. Als je dat beseft, ontstaat er een beetje ruimte tussen wat er gebeurt en de betekenis die je eraan geeft. En in die ruimte kun je kiezen hoe je reageert.
Probeer het zelf eens
Denk aan een moment van de afgelopen week waar je nog een vervelend gevoel aan overhoudt. Neem er een blad papier bij en schrijf op:
Wat gebeurde er precies? Alleen wat een camera zou registreren. Geen gedachten, geen gevoelens.
Wat dacht je dat het betekende? Schrijf je eerste verklaring op, zonder ze mooier te maken.
Welke andere verklaringen zijn er? Probeer er minstens twee te bedenken, ook als je ze niet meteen gelooft.
Wat zou je tegen een vriendin zeggen als zij jou dit verhaal vertelde?
Die laatste vraag is vaak de meest verrassende. De meeste mensen zijn voor een ander een stuk milder dan voor zichzelf.
Je hoeft niet alles te geloven wat je over jezelf denkt
We letten vaak heel scherp op wat anderen zeggen en doen. Veel minder op de bril waardoor we naar hen kijken. We denken dat we de werkelijkheid zien zoals ze is, terwijl onze ervaringen, verwachtingen en onzekerheden voortdurend meebepalen wat ons opvalt.
En hoe langer je een overtuiging meedraagt, hoe vanzelfsprekender ze aanvoelt. Op een bepaald moment denk je niet meer ik voel me soms onvoldoende, maar ik bén onvoldoende.
Daarom loont het om af en toe stil te staan bij de verhalen die je jezelf vertelt. Niet om je gevoelens weg te redeneren, wel om er nieuwsgierig naar te kijken.
Misschien is die collega helemaal niet teleurgesteld. Misschien vindt die vriendin je helemaal niet lastig. En misschien ben je al die tijd strenger voor jezelf geweest dan de mensen rondom jou ooit voor je zijn geweest.
Soms dragen we jarenlang een litteken mee dat we zorgvuldig proberen te verbergen, terwijl niemand anders het ooit heeft gezien.
Herken je jezelf hierin? Bij Find Balance gaan we samen op zoek naar de overtuigingen die jouw zelfbeeld en je gedrag sturen. Niet om van jou iemand anders te maken, maar om je te helpen loskomen van patronen die je vandaag niet meer helpen. Een vrijblijvend kennismakingsgesprek kan in Jabbeke, Damme of online.